direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Partiële herziening bestemmingsplan Kreken van Nibbeland
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het plangebied Waterwonen maakt onderdeel uit van het plan 'Kreken van Nibbeland'. Ter plaatse vigeert het gelijknamige bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland', vastgesteld in 2013. De stedenbouwkundige uitgangspunten zijn veranderd en deels niet meer passend binnen het vigerende bestemmingsplan. In deze partiële herziening worden de afwijkingen ten opzichte van het vigerende plan beschreven en getoetst.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in Zuidland, een dorp in de gemeente Nissewaard.

Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door de kreek die parallel loopt aan de Haasdijk. Ten noorden en oosten liggen andere uitbreidingsgebieden van het plan Kreken van Nibbeland. Ten zuiden liggen bestaande sportvelden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0001.png"

Figuur 1.1: Globale ligging plangebied (bron: maps.arcgis.com).

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0002.png"

Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (bron: maps.arcgis.com).

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland' vastgesteld op 11-06-2013. De gronden hebben een bestemming 'Woongebied - 1', waarbij voor een deel van het plangebied een specifieke bouwaanduiding landelijk wonen - 1 geldt. Voor een ander deel van het plangebied geldt een specifieke bouwaanduiding landelijk wonen - 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0003.png"

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland' en plangebied (rode cirkel) (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het woningbouwprogramma, en de randvoorwaarden van het plan beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het ruimtelijk beleid uiteengezet. Hoofdstuk 4 beschrijft de verschillende (milieu)onderzoeken die ten grondslag hebben gelegen aan het voorliggende bestemmingsplan. Hoofdstuk 5 bevat de juridische plantoelichting. Hoofdstuk 6 beschrijft ten slotte de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Beoogde situatie

Voorheen bestond het plangebied uit landbouwgrond. Inmiddels zijn deze en omliggende gronden bestemd voor een nieuwe woonwijk: Kreken van Nibbeland.

Kreken van Nibbeland is een woonwijk die volledig aansluit op de bestaande bouw van het dorp Zuidland aan de ene kant en het weidse polderlandschap aan de noordgrens. Er is voor gekozen om de bestaande zichtlijnen en oude structuren in de polder aan te houden. Van oost naar west wordt een verdunning gerealiseerd, waarbij het aantal woningen per hectare per deelgebied afneemt.
Het deelgebied waar deze herziening betrekking op heeft, is gesitueerd rond een waterpartij die voor iedereen bereikbaar is.

Het woongebied met de laagste dichtheid bevindt zich aan de rand van het plangebied, grenzend aan de restanten van een oude kreek. Hier gelden de principes van ‘Landelijk Wonen’. Richtlijn is 10 woningen per hectare te hanteren.

Vanuit Kreken van Nibbeland komt een directe verbinding voor langzaam verkeer met het bestaande centrum van Zuidland, waardoor voorzieningen goed bereikbaar zijn.

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 56 grondgebonden woningen. Dit zijn vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen.

De rij woningen aan de oostzijde zijn alle twee-onder-één-kap woningen (figuur 2.2), gevolgd door vrijstaande woningen meer naar het noordwesten (figuur 2.3). Rond de waterpartij staan de 'waterwoningen' (figuur 2.4). Deze zijn aan de oostzijde van de waterplas zowel twee-onder-één-kap als vrijstaand. Langs de westzijde van de waterplas zijn dit uitsluitend vrijstaande woningen. De 'waterwoningen' kenmerken zich door de ruime vlonder aan het water en de afwezigheid van een tuin. 1 meter rondom de woningen is nog eigen terrein. Verder wordt voor deze 'waterwoningen' een ander peil gehanteerd dan de rest van het plangebied. Als peil wordt hier het (beoogd) gemiddeld waterpeil aangehouden. Het groen om de woningen is openbaar gebied.

Iedere woning in het deelgebied heeft twee parkeerplaatsen op eigen terrein.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0004.png"

Figuur 2.1: Impressie invulling van het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0005.png"

Figuur 2.2: Impressie twee-onder-één-kap woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0006.png"

Figuur 2.3: Impressie vrijstaande woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0007.png"

Figuur 2.4: Impressie 'waterwoningen' vrijstaand.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0008.png"

Figuur 2.5 Impressie 'waterwoningen' twee-onder-één-kap.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleid

3.1 Inleiding

Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, wordt onderzocht of de afwijking ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan niet in strijd is met de verschillende nieuwe beleidskaders. In dit hoofdstuk is getoetst aan het nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Alle onderdelen van beleidskaders die betrekking hebben op ruimtelijke kwaliteit zijn nader uiteengezet in dit hoofdstuk.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Barro

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. De doelen uit de structuurvisie en de genoemde belangen uit het Barro zijn wel van belang maar gezien de regeling die deze herziening beoogt, hebben ze in het kader van dit bestemmingsplan geen consequenties.

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)

Belangrijk uitgangspunt van het Bro is de toepassing van de zogenaamde 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (artikel 3.1.6. van het Bro). Via de ladder voor duurzame verstedelijking stimuleert het Rijk de herstructurering van bestaand stedelijk gebied om de ontwikkeling van nieuwe terreinen te verminderen. Dit draagt bij aan economische dynamiek, zorgvuldig gebruik van ruimte en infrastructuur en behoud van de leefbaarheid van het stedelijk en landelijk gebied.

De ladder heeft betrekking op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Het planvoornemen betreft een woningbouwontwikkeling van maximaal 56 woningen. Het gebied heeft al een rechtstreekse woonbestemming en de bouwmogelijkheden/het aantal woningen neemt niet toe. Hierdoor wordt het niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling gezien. Toetsing aan 3.1.6 lid 2 Bro is niet nodig. De woningbehoefte is uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in paragraaf 3.3 beschreven.

3.2.2 Nationaal Waterplan 2016-2021

Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016 - 2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatverandering op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Met dit plan zet het kabinet een volgende stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Het planvoornemen betreft het toevoegen van een waterpartij die door het gehele plangebied loopt. Hiermee wordt extra waterberging gecreëerd. Daarnaast worden de woningen niet in hoge dichtheden gebouwd, waardoor ruimte blijft voor groen/onverhard gebied. Hiermee is het plan niet in strijd met rijksbelangen.

3.3 Provinciaal en regionaal beleid

3.3.1 Visie Ruimte en Mobiliteit (geconsolideerde versie 12 januari 2017)

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014 en meermaals (gedeeltelijk) herzien, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

In de VRM zijn voor ruimte en mobiliteit vier rode draden benoemd:

  • 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Wonen en werken

De woningmarkt is een voorraadmarkt. In een gedeelte van de vraag kan worden voorzien door (her)gebruik, vernieuwbouw, renovatie, verhuur en verkoop van de bestaande voorraad. In een deel van de behoefte aan eengezinswoningen kan bijvoorbeeld worden voorzien doordat woningen vrijkomen door verhuizing. De provincie verwacht van gemeenten dat zij met elkaar in regionale visies vanuit dat perspectief vertrekken. Dat wil zeggen dat inzicht wordt gegeven in de mogelijkheden die de bestaande voorraad en doorstroming bieden, dat voorraad- en huisvestingsbeleid worden vastgesteld en dat daaruit volgende acties worden geformuleerd. Het bouwprogramma is het sluitstuk, dat volgt uit kwalitatieve en kwantitatieve behoefteramingen en uit de voorziene ontwikkeling van voorraad en de bewoning daarvan.

De provincie biedt de gemeenten hiervoor een referentiekader aan via woningmarktverkenningen. Voor de regio Voorne-Putten is tevens een specifieke woningmarktverkenning uitgevoerd (ABF Research, 25 april 2017). Woningbouw zal binnen de provincie Zuid-Holland voor het grootste deel plaats moeten vinden in de stedelijke agglomeratie (Rotterdam en andere grote steden). Het grootste deel van de woningbehoefte betreft woningen in een centrumstedelijk, buitencentrum- of centrumdorps milieu. Maar ook in andere milieus moet worden bijgebouwd. De provinciale kwantitatieve en kwalitatieve behoefteramingen, die eens per drie jaar worden geactualiseerd, vormen een referentiekader voor het gesprek tussen provincie en regio's over de actualisering van regionale woonvisies.

Niet alle vraag naar wonen en werken kan binnen het 'bestaand stads- en dorpsgebied'. Een deel van die vraag past qua omvang niet daarbinnen. Daarnaast kunnen er kwalitatieve beperkingen zijn. Een randvoorwaarde bij beter benutten is namelijk dat de leefkwaliteit in de bebouwde ruimte behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt. Ook kan de kwaliteit van de groene ruimte aanleiding zijn om een kwaliteitsverbetering te realiseren door middel van het toevoegen van stedelijke functies. Kortom: wonen en werken buiten het aangewezen 'bestaand stads- en dorpsgebied' is mogelijk en wenselijk om alle vraag op te kunnen vangen. Voor gebiedseigen ontwikkelingen, die de bestaande ruimtelijke kwaliteit in stand houden of verbeteren, beslist de gemeente voortaan zelf. Bij gebiedsvreemde ontwikkelingen blijft de provincie betrokken.

Toetsing

Het voorliggende plan is een herziening van het bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland'. In het kader van die bestemmingsplanprocedure is de ontwikkeling van woningen in dat gebied al getoetst aan de Visie Ruimte en Mobiliteit. Er is dus geen strijdigheid met de Visie Ruimte en Mobiliteit.

De woningbouwplannen zijn regionaal afgestemd en door de provincie op 26 september 2017 aanvaard, met uitzondering van enkele uitleglocaties. Dit plan met harde plancapaciteit is onderdeel van de aanvaarde locaties. Inmiddels is de planmonitor door de gemeenten in de woonregio geactualiseerd en het geplande aanbod afgestemd op de WBR. Het samenwerkingsverband Wonen Regio Rotterdam, waarbinnen de subregio Voorne-Putten valt, heeft de provincie hierover geïnformeerd.

3.3.2 Verordening ruimte 2014 (geconsolideerde versie 12 januari 2017)

In samenhang met de structuurvisie Ruimte en Mobiliteit is de Verordening ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan.

Artikel 2.1.1, Ladder voor duurzame verstedelijking

Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

  • a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  • b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  • c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    • 1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    • 2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1. van toepassing is, en
    • 3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

Toetsing

De ladder heeft betrekking op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Het planvoornemen betreft een woningbouwontwikkeling van maximaal 56 woningen. Het gebied heeft al een rechtstreekse woonbestemming en de bouwmogelijkheden/het aantal woningen neemt niet toe ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Hierdoor wordt het niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling gezien.

De woningbehoefte is uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening beschreven.

De woningbehoefte in Nissewaard binnen in de subregio Voorne-Putten blijkt uit de provinciale woningbehoefteraming (WBR 2016) en is in de periode 2017-2027 berekend op maximaal 1801 woningen. De woningen in dit plan zijn onderdeel van de harde plancapaciteit.

De kwalitatieve woningbehoefte is beschreven in paragraaf 3.4.

Artikel 2.2.1, Ruimtelijke kwaliteit

Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

  • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  • b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    • 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid;
  • c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    • 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

Toetsing

Het voorliggende plan is een herziening van het bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland'. Tijdens die bestemmingsplanprocedure is de ontwikkeling naar wonen al getoetst aan de de Verordening ruimte. Met het vaststellen van het bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland' kan gesteld worden dat er geen strijdigheden zijn met de Verordening Ruimte.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Verstedelijkingsprogramma, 'Dat spreken we af' (2014) en Woonvisie Voorne - Putten 2016-2020 (actualisatie 2017)

In 2010 zijn verstedelijkingsafspraken gemaakt met de regiogemeenten in de subregio Voorne-Putten, de regio Rotterdam en de Provincie Zuid-Holland. Deze zijn uitgewerkt, vernieuwd en vastgelegd in het verstedelijkingsprogramma 'Dat spreken we af' (2014) gemaakt over het bouwprogramma in de periode 2014-2020. In aanvulling op de woningmarktafspraken, die nog in hoofdzaak kwantitatief van aard zijn, wordt in de Woonvisie Voorne-Putten 2016 – 2020 (november 2015) ingespeeld op de bestaande en gewenste kwaliteiten van het woningaanbod, als ook de te verwachten bevolkingstransitie, zodat het toekomstig aanbod aan woningen zo veel mogelijk aansluit bij de huidige en toekomstige vraag van de inwoners.

Op basis van de huidige woningvoorraad, woonmilieus en de toekomstige vraag, is er een substantiele behoefte aan dorpse en landelijke woonmilieus. De dorpse toevoegingen vinden vooral plaats in de kleinere kernen of aan de rand van de grotere kernen. Dit is een gewild woonmilieu bij woningzoekenden waarbij wel het aanwezige voorzieningenniveau van de kleine kernen een aandachtspunt is.

Bij de recente actualisatie van de woonvisie van Voorne-Putten is uit een verdiepingsonderzoek van ABF gebleken dat er aan het woonmilieu ''suburbane grondgebonden woningen'', nog een behoorlijke behoefte bestaat. Deze tegengestelde bewegingen (oorspronkelijke afspraak versus realisatie en ABF-onderzoek) is op zich al reden voor nadere bestudering en voorbereiding op herziening van de afspraken. Bij voldoende nieuwbouw in andere woonmilieus zou het aandeel “suburbane grondgebonden woningen” op termijn wel moeten kunnen dalen.

Toetsing

Het planvoornemen sluit aan op de regionale behoefte en het regionale beleid.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Woonvisie gemeente Nissewaard (2016)

Eén van de grootste uitdagingen voor de gemeente Nissewaard is de huidige inwoners te behouden. Tegelijkertijd is het van belang mensen van elders te verleiden zich in Nissewaard te vestigen. Om die ambities waar te maken, is een opwaardering van het woonaanbod en de woonomgeving nodig. De vraag naar suburbaan, dorps en landelijk wonen aan de rand van Rotterdam zal namelijk blijven. Veel mensen zullen ook in de toekomst in een rustige, veilige omgeving willen wonen, dicht bij de grootstedelijke gebieden van de Randstad, het haven-industrieelcomplex en voorzieningen, en het liefst in een huis met een tuin en een eigen parkeerplaats.

Om de ambities waar te maken, is een opwaardering van het woonaanbod en de woonomgeving nodig. Woonvormen met meer ruimte voor eigenheid, flexibiliteit en eigen initiatief zijn gewenst. Het gaat om bewoners die lagere lasten willen in ruil voor meer vrije tijd, een werkplek aan huis en belang hechten aan duurzaamheid en de kwaliteit van de buitenruimte. De openbare ruimte als sociale ontmoetingsplek en als ruimte voor recreatie zijn trends die de nieuwe woonwensen bepalen. Nieuwe ontwikkelingen moeten de tweedeling tussen stedelijk en dorps wonen overbruggen; ze moeten het open landschap, de kleine kernen en de stad op harmonieuze wijze met elkaar en de inwoners verbinden, met behoud van contrasten en variatie in woonmilieus. De gemeente Nissewaard heeft in een structuurkaart aangegeven welke woonmilieus op welke kernen van toepassing zijn. Zuidland is hierin beschreven als dorps woonmilieu, zie figuur 3.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0009.png"

Figuur 3.1 Woonmilieus gemeente Nissewaard.

Toetsing

De voorliggende ontwikkeling voorziet in de toevoeging van maximaal 56 grondgebonden woningen in een groene en waterrijke omgeving. Hiermee wordt voldaan aan de kernwaarden voor de toekomst zoals opgenomen in de gemeentelijke woonvisie.

3.5.2 Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021

In het GRP is weergegeven hoe de gemeente haar rioleringstaak vorm wil geven. Het GRP betreft de beleidsmatige integratie van de wettelijke zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater.

De volgende speerpunten worden door de gemeente Nissewaard aangehouden:

• Lozen en beheer van aansluitleidingen

• Klimaatadaptatie

• Integraal programmeren

• Continueren beschermen van de volksgezondheid en het milieu

• De verantwoordelijkheden ten aanzien van grondwater

• Samenwerking in de afvalwaterketen Voorne Putten

Gemeente Nissewaard heeft daarbij beleid opgesteld voor het rioleringsstelsel voor zowel bestaande als nieuwe situaties, zie figuur 3.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0010.png"

Figuur 3.2 Rioleringsplan bestaande- en nieuwe situaties (bron: Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2021)

Toetsing

De beoogde woningen zullen met het huishoudelijke afvalwater worden aangesloten op het drukrioleringssysteem. Hemelwaterafvoer mag hier niet op worden aangesloten.

3.5.3 Erfgoedverordening Nissewaard 2016

Op 9 november 2016 heeft de gemeenteraad van Nissewaard de Erfgoedverordening 2016 vastgesteld. Deze erfgoedverordening geeft inzicht in de wijze waarop gemeentelijke monumenten aangewezen worden en op welke wijze zij beschermd zijn. Ook zijn regels opgenomen ter bescherming van in de bodem aanwezig cultureel erfgoed.

Toetsing

In de Erfgoedverordening Nissewaard 2016 zijn de archeologische waardenkaart van de voormalige gemeente Spijkenisse en Bernisse geïntegreerd. In paragrafen 4.1 en 4.2 wordt nader in gegaan op de cultuurhistorische en archeologische waarde van het plangebied.

3.5.4 Welstandsnota Nissewaard 2017

De welstandsnota Nissewaard bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden, het zogenaamde beoordelingskader. In de welstandsnota staat beschreven aan welke kwaliteitscriteria een bouwwerk moet voldoen. De kwaliteitscriteria gaan over het uiterlijk en de verschijningsvorm van een gebouw. De gehele gemeente is opgedeeld in zogenaamde welstandsniveaus. Met de vastlegging van welstandsniveaus wordt aangegeven in welke gebieden in de gemeente meer regulering is gewenst en welke gebieden met een minder strenge toetsing afkunnen.

Toetsing

Het plangebied is grotendeels gelegen in een gebied aangewezen als "'zorgvuldig'', zie figuur 3.3. Het regime 'zorgvuldig' wordt toegepast in gebieden waar de ruimtelijke kwaliteiten en samenhang van belang zijn, maar die ook enige dynamiek kunnen verdragen. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is gericht op behoud, herstel of verbetering van de waardevolle (landschappelijke, stedenbouwkundige en architectonische) elementen en structuren, waardoor een extra inspanning dient te worden geleverd tot voordeel van de ruimtelijke kwaliteit. Bij de inrichting van het plangebied is reeds rekening gehouden met de nieuwe gebouwen in relatie tot de omgeving. Een nadere toetsing zal plaatsvinden bij het indienen van de omgevingsvergunning voor bouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0011.png"

Figuur 3.3 Uitsnede kaart welstandsniveaus en plangebied (blauwe cirkel) (bron: Welstandnota Nissewaard 2017).

3.6 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het plan past binnen het gestelde in het nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan en er is geen wijzigingsbevoegdheid bij de betreffende bestemmingen opgenomen om de gewenste ontwikkeling te realiseren. Voor onderhavig plan dient een herziening te worden opgesteld. Het beleid staat de uitvoering van deze ontwikkeling niet in de weg.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Cultuurhistorie

Toetsingskader

Rijksbeleid

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Provinciaal beleid

Uit de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet in een zone ligt waar cultureel erfgoed aanwezig is.

Gemeentelijk beleid

Nissewaard kent 196 monumenten, waarvan 97 zijn aangewezen door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (‘rijksmonumenten’). De andere 99 monumenten zijn aangewezen door het college van B&W van Nissewaard (‘gemeentelijke monumenten’).

De regelgeving met betrekking tot de rijksmonumenten is verwoord in de Erfgoedwet. De regelgeving m.b.t. de gemeentelijke monumenten is verwoord in de Erfgoedverordening Nissewaard 2016.

Onderzoek en conclusie

Het plangebied ligt niet in een zone met bijzondere cultuurhistorische waarden.

4.2 Archeologie

Toetsingskader

Erfgoedwet

De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ), omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Regionaal beleid

Uit de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet in een zone ligt die van bijzondere archeologische waarde is.

Gemeentelijk beleid

De gemeente Nissewaard heeft een archeologisch beleid en beleidsinstrumenten ontwikkeld (vastgesteld in 2011), waarmee een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen is gewaarborgd.

Ook worden bestemmingsplannen voorzien van een archeologieparagraaf. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.

Onderzoek

Binnen het plangebied komen volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart van Nissewaard twee verschillende archeologische waarden voor, namelijk waarde 2 en waarde 3.2 (zie figuur 4.1). Voor waarde 2 geldt dat grond-werkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m² en tevens dieper reiken dan 50 cm beneden het maaiveld dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek. Echter is geen bebouwing geprojecteerd binnen het plangebied op de plaats waar deze archeologische waarde geldt.

Waarde 3.2 wordt aangemerkt als gebied met een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting. Hier geldt dat grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m² en tevens dieper reiken dan respectievelijk 40 cm of 80 cm beneden het maaiveld dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek.

In de regels en de plankaart zijn waarde 2 en waarde 3.2 van de beleidskaart, vertaald naar Waarde - Archeologie 1 en Waarde - Archeologie 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0012.png"

Figuur 4.1 Uitsnede archeologische beleidskaart Nissewaard en plangebied (rode cirkel) bron: Archeologische Waardenkaart 2017).

De gemeente Nissewaard werkt op het gebied van archeologie samen met het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) van de gemeente Rotterdam. Het BOOR heeft voor het plangebied een advies uitgebracht, zie bijlage 1.

Hierin werd geconcludeerd dat er geen aanleiding is voor een nader archeologisch onderzoek. De locatie kan voor voorliggend plan worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Het BOOR benadrukt dat bij de uitvoering van grondroerende werkzaamheden wel rekening moet worden gehouden met toevalsvondsten.

Dit betekent overigens niet dat er in het bestemmingsplan geen regels voor archeologie hoeven te worden opgenomen. Indien het de wens is om de huidige archeologieregeling aan te passen zal het BOOR hier apart over moeten adviseren.

Conclusie

De dubbelbestemmingen uit het vigerende plan worden met het oog op eventuele latere/aangepaste bouwplannen op deze plek gehandhaafd.

4.3 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.

Leidend voor de verkeersafwikkeling is de verkeerstudie van Grontmij (Resultaten verkeersstudie bestemmingsplan Kreken van Nibbeland te Zuidland, 19 april 2013), welke onderdeel is van het vigerende bestemmingsplan. De parkeerbehoefte wordt berekend aan de hand van CROW kencijfers uit publicatie 317 (kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Voor het juiste kencijfer gelden enkele uitgangspunten. Zo is het plangebied gelegen in het restgebied van de bebouwde kom, geldt voor de gemeente Nissewaard een sterk-stedelijk karakter en wordt binnen de bandbreedte van het kencijfer het gemiddelde aangehouden in verband met het autobezit binnen de gemeente ten opzichte van het landelijk gemiddelde.

Onderzoek

Ontsluiting

Het plangebied wordt ontsloten op nieuwe interne wegen, welke ten noorden ontsluiten op de Stationsweg en in zuidelijke richting, via de Melkweg op de Kerkweg. Via de Stationsweg kan via de N218 Spijkenisse worden bereikt en vindt tevens ontsluiting met de A15 plaats. Via de Kerkweg wordt onder meer ontsloten richting Hellevoetsluis en Nieuw Beijerland. Ter hoogte van het plangebied zal een vrijliggend fietspad komen. De Stationsweg is tevens voorzien van een vrijliggend fietspad. In zuidelijke richting, op de Melkweg en de Kerkweg, maken fietsers gebruik van fietssuggestiestroken. Gezien de drukte op deze wegen en de functie van deze wegen is dit conform duurzaam veilige inrichting. Voetgangers kunnen op de omliggende wegen gebruik maken van de aanwezige trottoirs. Aan de Kerkweg is een bushalte gelegen, van waaruit bussen halteren naar onder meer Hellevoetsluis, Brielle en Spijkenisse. In Spijkenisse kan daarbij worden overgestapt op het metro-netwerk.

Parkeerbehoefte

De parkeerbehoefte is berekend aan de hand van de kencijfers van het CROW. Aangesloten wordt bij de kencijfers van een vrijstaande woning en een twee-onder-één-kap woning. Tot deze categorieën worden ook de 'waterwoningen' gerekend. Op basis van bovenstaande uitgangspunten geldt per vrijstaande woning een parkeerbehoefte van 2,1 parkeerplaats per woning. Voor een twee-onder-één-kap woning geldt 2,0 parkeerplaatsen per woning. In de verkaveling zijn 2 parkeerplaatsen per woning opgenomen. Daarnaast wordt bij de interne nieuwe wegen grotendeels langsparkeren mogelijk gemaakt aan één kant van de straat, waar de eventuele extra parkeerdruk ruimschoots kan worden opgevangen (zie paarse stippellijnen figuur 4.2).

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0013.png"

Figuur 4.2 Straatnamen en parkeren in het plangebied.

Verkeersafwikkeling

In de verkeersstudie die gemaakt is ten tijde van het vigerende bestemmingsplan (2013), is inzichtelijk gemaakt dat de verkeerstoename als gevolg van de ontwikkelingen zonder knelpunten kan worden afgewikkeld. Ook de beoogde afwikkeling op de Stationsweg, door middel van een rotonde, biedt volgens deze verkeersstudie voldoende restcapaciteit om fluctuaties in het woningbouwprogramma op te vangen. De verkeersafwikkeling blijft hierdoor gewaarborgd.

Conclusie

De ontsluiting is voor alle vervoerswijzen goed te noemen. De parkeerbehoefte kan ruimschoots worden voorzien binnen de randen van het bestemmingsplan. De verkeersafwikkeling blijft ook na deze partiële herziening, zoals eerder is aangetoond in het vigerende bestemmingsplan, goed. Het aspect verkeer en parkeren staat de beoogde ontwikkeling daarmee niet in de weg.

4.4 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wgh geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

30 km/u wegen

Zoals aangegeven zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u of lager op basis van de Wgh niet-gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Echter dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn.

Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de uiterste grenswaarde als maximaal aanvaardbare waarde. Omdat voor 30 km/u-wegen dezelfde benaderingswijze wordt gehanteerd als voor gezoneerde wegen, wordt ook hier een correctie toegepast op basis van artikel 110g Wgh. Deze aftrek is gelijk aan de aftrek bij gezoneerde wegen met een maximum snelheid tot 70 km/u (5 dB).

Onderzoek

Met de partiële herziening worden geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Het vigerende bestemmingsplan (2013) wordt aangepast waarbij andere stedenbouwkundige uitgangspunten gaan gelden. De stedenbouwkundige uitwerking van voorliggend plan, met daarin de woningen, worden ontsloten op een nieuwe interne weg, gelegen tussen de Stationsweg en de Melkweg. Deze weg zal onderdeel uit maken van een 30 km-zone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op deze weg berekend op de woningen.

De 'waterwoningen' zijn daarnaast gelegen in de geluidzone van de Haasdijk. Uit eerder akoestisch onderzoek (Antea Group, 2008) blijkt dat de contour van de voorkeursgrenswaarde (48 dB) is gelegen op circa 80 meter van de Haasdijk. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op meer dan 150 meter van de Haasdijk, waardoor nader onderzoek ten gevolge van de geluidbelasting van de Haasdijk buiten beschouwing wordt gelaten.

Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluid 2012. De berekeningen zijn opgenomen in een memo in bijlage 2 .

Conclusie

De richtwaarde van 48 dB wordt overschreden op de voorgevels van de woningen gelegen aan de ontsluitende weg van de wijk. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 51 dB, de maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De overige woningen zijn verder van de weg gelegen en worden ontsloten op nieuwe wegen die minder verkeer ontsluiten. Op de gevels van deze woningen zal de richtwaarde van 48 dB dan ook niet worden overschreden.

Maatregelen om de geluidbelasting ten gevolge van deze overschrijding te reduceren stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige, financiële en verkeerskundige aard. Aangezien de maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB niet wordt overschreden, wordt geconcludeerd dat de woningen worden mogelijk gemaakt in een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat.

4.5 Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.

Onderzoek en conclusie

De beoogde ontwikkeling betreft een milieugevoelige functie. Gezien de ligging en de afwezigheid van bedrijvigheid kan het gebied getypeerd worden als rustige woonwijk.

Aan de zuidoost zijde van het plangebied zijn sportvelden gelegen. Voor een sportcomplex zonder lichtmasten worden geen richtafstanden gegeven. Met lichtmasten, geldt een afstand van 50 meter. Lichtmasten mogen volgens het bestemmingsplan enkel in een bouwvlak worden gerealiseerd. Op dit moment staan de lichtmasten op voldoende afstand. Ten aanzien van bestaande woningen rondom het sportpark behoeft thans geen beoordeling plaats te vinden. Wel wordt het bouwvlak van het sportpark dusdanig verkleind dat een afstand van 50 meter tussen de nieuwe omliggende woningen wordt gewaarborgd. Op die wijze kunnen lichtmasten nimmer op een kortere afstand dan 50 meter worden gerealiseerd.

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de omliggende woningen ook in de toekomstige situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.6 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek en conclusie

Op de Nederlandse risicokaart worden relevante risicobronnen weergegeven. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen relevante risicobronnen. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.7 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer per jaar meer dan 50 µg/m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In het Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 56 vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen. Dit aantal woningen valt, net als voor het totale aantal woningen van het bestemmingsplan Kreken van Nibbeland, ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied te geven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2016 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct aan de Stationsweg (als maatgevende doorgaande weg ten oosten van het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn 17,27 µg/m³ voor NO2, 16,85 µg/m³ voor PM10 en 9,52 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 7 dagen.

Conclusie

Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.8 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd.

Onderzoek en conclusie

Door IDDS is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 3). Het doel van deze onderzoeken was het vaststellen van de kwaliteit van de grond in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van de locatie en het bepalen of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde ontwikkeling.

Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

  • In de bovengrond zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen en metselpuin) waargenomen.
  • In de ondergrond zijn geen bijmengingen met bodemvreemde materialen (puin e.d.) waargenomen.
  • Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen.
  • De bovengrond is zeer plaatselijk licht verontreinigd met koper, zink, PAK, PCB, minerale olie, drins en hexachloorbenzeen.
  • De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.
  • Het grondwater is licht verontreinigd met barium en xylenen en zeer plaatselijk licht verontreinigd met kwik en dichloormethaan.
  • Er is geen asbest aangetoond in de bodemlagen met bodemvreemde materialen.

Gelet op de onderzoeksresultaten dient de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie

formeel te worden gehandhaafd. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat er milieuhygiënisch geen belemmeringen zijn voor de beoogde bouwplannen

en het bodemgebruik.

4.9 Ecologie

Toetsingskader

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland

In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. De afstand tot zowel het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied het Haringvliet is 3,5 km. Het plangebied maakt deel uit van het natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied aanwezige water is aangemerkt als ecologische verbinding. Aan deze watergang zullen geen veranderingen plaatsvinden door de beoogde ontwikkeling.

Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wet Natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0014.png"

Figuur 4.3 Uitsnede NNN-gebied, provincie Zuid Holland. Globale ligging van het plangebied (rode cirkel) (bron: Provincie Zuid-Holland).

Soortenbescherming

Op 17 oktober 2017 is een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd, zie bijlage 4. Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat in verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het van belang om werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten of te werken op een manier dat vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Het plangebied bezit geen mogelijkheden voor vleermuizen om er te verblijven. Mogelijk vliegen er vleermuizen in lage dichtheid. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Zuid-Holland. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Om de rugstreeppad zich niet te laten vestigen in het plangebied gedurende de aanlegfase is het van belang om het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen.

Op grond van de bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten. Het voorliggende plan is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.10 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van voorliggend plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Waterschap Hollandse Delta en de gemeente Nissewaard nader wordt behandeld.

Europees:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening ruimte

Waterschapsbeleid

Waterbeheerprogramma 2016 - 2021

Het huidige waterbeheer programma van het Waterschap Hollandse Delta is vanaf 2016 ingegaan. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren.

De strategie en het beleid van het Waterschap Hollandse Delta is gericht op:

  • het bieden van veiligheid tegen wateroverlast
  • veilige (vaar)wegen
  • voldoende en schoon oppervlaktewater

Daarnaast werkt het waterschap ook actief aan de ruimtelijke inbedding van "water", met oog voor ecologie en het landschap en dat water mee bepalend wordt voor de gewenste ruimtelijk economische ontwikkelingen.

Gemeentelijk beleid

In grote lijnen blijft de invulling van de gemeentelijke watertaken gelijk aan het niveau van de afgelopen jaren. Op enkele onderdelen is dit aangescherpt of krijgt extra aandacht:

  • Lozen en beheer van aansluitleidingen
  • Klimaatadaptatie
  • Integraal programmeren
  • Continueren beschermen van de volksgezondheid en het milieu
  • De verantwoordelijkheden ten aanzien van grondwater
  • Samenwerking in de afvalwaterketen Voorne Putten

Huidige situatie

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit agrarische grond.
Het plangebied wordt aan de noord-west zijde begrensd door een sloot. Er bevindt zich geen verharding op het plangebied.

Bodem en grondwater

Volgens de bodematlas van de provincie Zuid-Holland bestaat de bodem ter plaatse uit zeekleigronden van rond de 1.20 meter dikte. Er is sprake van grondwatertrap (Vlo). Dat wil zeggen dat de hoogste grondwaterstand zich tussen de 40 cm en 80 cm beneden de maaiveldhoogte bevindt en de laagste tussen de 120 - 180 cm beneden het maaiveld.

Waterkwantiteit

Het plan maakt aanleg van een extra watergang mogelijk. Ten westen van het plangebied is een primaire watergang gelegen. Deze wordt aangesloten op de nieuw te graven watergang in het plangebied. Binnen de beschermingszone van de primaire watergang gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergangen mogelijk te houden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001_0015.png"

Figuur 4.4 Watertoename in plangebied

Veiligheid en waterkeringen

Plangebied ligt niet in de directe omgeving gelegen van een primaire waterkering. Op circa 350 meter noordoostelijk gelegen van het plangebied, ligt een regionale waterkering.

Het plangebied ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

In de directe omgeving bevinden zich geen aangewezen Kaderrichtlijnwater-waterlichamen.

Het water Bernisse, op circa 800 meter van het plangebied, is wel gerekend tot een KRW-waterlichaam.

Afvalwaterketen en riolering

De woningen aan de Haasdijk en Stationsweg zijn aangesloten op een drukrioleringssysteem. De nieuwbouw woningen zuidelijk gelegen van het plangebied hebben een aansluiting op een gescheiden vrij vervalstelsel.

Toekomstige situatie

Toekomstige situatie voorziet in de ontwikkeling van vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen, met ruimte voor een bijgebouw op het merendeel van de kavels.

Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied en van meer dan 1.500 m2 in landelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd worden.

In het plangebied vindt een forse toename aan water plaats ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee wordt voldaan aan de opgave voor watercompensatie.

De toekomstige woningen binnen het plangebied zullen worden aangesloten op een gescheiden rioleringsstelsel.

Conclusie

De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.11 Kabels en leidingen

Toetsingskader

Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones).

Onderzoek en conclusie

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.12 Vormvrije-mer

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Per 7 juli 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

  • Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
  • Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

Onderzoek

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de oprichting van maximaal 56 nieuwe woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. In de huidige situatie zijn de gronden al bestemd voor woningbouw.

Bij de toetsing aan de milieu- en omgevingsaspecten in het bestemmingsplan is nader ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op het milieu en op de omgeving.

De woningbouwlocatie heeft geen belangrijke uitstraling van milieueffecten naar de omgeving.

Plaats van het project

Het plangebied is gelegen binnen Zuidland. Zuidland is op korte afstand van Spijkenisse gelegen. Direct rondom het dorp liggen polders. Het woningaanbod in Zuidland bestaat vooral uit eengezinswoningen, vrijstaand of half vrijstaand. De kleine schaal van Zuidland zorgt voor een klein voorzieningenaanbod.

In het zuidwesten van het plangebied ligt een voetbalvereniging. In het zuidoosten ligt een nieuwbouwwijk, ook behorend bij het plan Kreken van Nibbeland.

Kenmerken van het project

Kreken van Nibbeland is een woonwijk die volledig aansluit op de bestaande bouw van het dorp Zuidland aan de ene kant en het weidse polderlandschap aan de noordgrens. Er is voor gekozen om de bestaande zichtlijnen en oude structuren in de polder aan te houden. Van oost naar west wordt een verdunning gerealiseerd, waarbij het aantal woningen per hectare per deelgebied afneemt.

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 56 grondgebonden woningen. Dit zijn vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen.

Kenmerken van de milieueffecten

Binnen de getoetste milieuaspecten vinden geen belemmeringen plaats ten aanzien van de realisatie van de nieuwbouw woningen. De realisatie van de woningen heeft ook geen negatieve uitstraling op de verschillende omgevingsaspecten. Ter plaatse van het hele projectgebied kan gesproken worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, kan worden geconcludeerd dat geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.

Conclusie

Op ….. is bij besluit van …. vastgesteld dat geen MER nodig is, zie bijlage PM. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 5 Inhoud van de herziening

5.1 Inleiding

Deze herziening dient de ontwikkeling van woningen mogelijk te maken. De stedenbouwkundige uitgangspunten zijn veranderd en daarom deels niet meer passend binnen het vigerende bestemmingsplan.

Er is voor gekozen om de planvorm herziening toe te passen. Binnen het plangebied blijft de geldende regeling uit het bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland' van toepassing waar binnen deze herziening geen nieuwe of aangepaste regeling voor is opgenomen.

5.2 Aanpassing in de regels

In de regels is opgenomen dat de regels van het bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland' overeenkomstig van toepassing zijn.

Deze herziening voegt een nieuwe bestemming toe, namelijk 'Woongebied - 4'.

Hiervoor is gekozen, omdat de bestemming 'Woongebied - 1' groter is, dan het stedenbouwkundig plan waar de uitgangspunten niet passen. 'Woongebied - 1' is dus nog van toepassing binnen het bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland'.

Binnen de bestemming 'Woongebied - 4' zijn een tweetal specfieke bouwaanduidingen opgenomen: 'specifieke bouwaanduiding - landelijk wonen 2' en 'specifieke bouwaanduiding - landelijk wonen 3', opgenomen. In de twee specifieke bouwaanduidingen zijn de regels aangepast op de gewenste stedenbouwkundige randvoorwaarden van voorliggend plan. Omdat de 'specifieke bouwaanduiding - landelijk wonen 2' uit het bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland' verder niet meer voorkomt, is deze voor de duidelijkheid herzien en opnieuw gebruikt. 'Specifieke bouwaanduiding - landelijk wonen 3' is extra toegevoegd, omdat de 'specifieke bouwaanduiding - landelijk wonen 1' elders blijft gelden en ook dusdanig afwijkt van 'specifieke bouwaanduiding - landelijk wonen 2', dat een nieuwe specifieke bouwaanduiding nodig was.

5.3 Aanpassing op de verbeelding

Op de verbeelding is 'Woongebied - 4' toegevoegd.

De begrenzing van de herziening betreft hoofdzakelijk de begrenzing van de bestemming 'Woongebied - 1' uit bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland'. Echter de noordoostelijke grens is afgestemd op het stedenbouwkunig plan (figuur 2.1) in paragaaf 2.1.

De grens van de 'specifieke bouwaanduiding - landelijk wonen 2', is verplaatst in westelijke richting, waardoor de rij vrijstaande woningen hier nu binnen komen te vallen.

De 'specifieke bouwaanduiding - landelijk wonen 3' is toegevoegd.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

In het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het concept-ontwerp bestemmingsplan naar verschillende overlegpartners gestuurd.

Zienswijzen

Het ontwerp van de herziening heeft ter inzage gelegen van ... 2018 t/m ... 2018. Hierbij werden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Er is ... zienswijze ingediend. De zienswijze is samengevat en beantwoord in een Nota Zienswijzen. Deze Nota is opgenomen in het bestemmingsplan, zie bijlage X.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6:12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening zijn plannen aangewezen waarvoor een dergelijk exploitatieplan moet worden opgesteld. Artikel 6:12, lid 2 geeft aan dat de gemeenteraad kan besluiten géén exploitatieplan vast te stellen indien:

  • 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en
  • 3. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

De gemeente heeft een koopovereenkomst gesloten met de ontwikkelaar en de opbrengsten dekken de kosten. De gemeente acht het plan economisch uitvoerbaar.