direct naar inhoud van Regels
Plan: Partiële herziening bestemmingsplan Kreken van Nibbeland
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan Partiële herziening bestemmingsplan Kreken van Nibbeland als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001 van de gemeente Nissewaard.

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 verbeelding

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1930.HERZKVNZLD-1001

1.4 overig

bij toepassing van deze regels worden de begripsbepalingen gehanteerd conform de regels in artikel 1 van het bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland te Zuidland' met identificatienummer NL.IMRO.0568.BNSZLDKVN022011-0901.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 peil
  • a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen of op een kortere afstand dan 5,00 m van de weg geprojecteerd zijn: de hoogte van die weg;
  • b. indien in, op of aan het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil;
  • c. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
2.2 overig

voor de overige wijze van meten wordt verwezen naar artikel 2 van het vigerende bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland te Zuidland' met identificatienummer NL.IMRO.0568.BNSZLDKVN022011-0901.

 

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Woongebied - 4

Er wordt een nieuwe bestemming 'Woongebied - 4' toegevoegd.

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Woongebied - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. tuinen en erven;
  • c. beroepsmatig en kleinschalig bedrijfsmatig gebruik, met inachtneming van het bepaalde in lid 3.4;
  • d. wegen en parkeervoorzieningen;
  • e. openbare groenvoorzieningen en water, met dien verstande dat hiervoor minimaal een percentage van 40% van het bestemmingsvlak wordt aangewend;
  • f. bermen en beplantingen, speelvoorzieningen, voorzieningen voor langzaam verkeer, paden, verhardingen en in- en uitritten;
  • g. nutsvoorzieningen, bruggen, dammen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
3.2 Bouwregels

3.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. het aantal woningen bedraagt ten hoogste 56;
  • b. gebouwen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 3.1 genoemde bestemming en zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van vrijstaande en twee-aaneengebouwde gebouwen;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - landelijk wonen 2' gelden de volgende regels:
    • 1. de diepte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 15,00 m;
    • 2. de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat;
    • 3. hoofdgebouwen worden minimaal 3,00 m uit de voorste bouwperceelsgrens gerealiseerd;
    • 4. hoofdgebouwen worden minimaal 5,00 m uit de achterste bouwperceelsgrens gerealiseerd;
    • 5. de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping wel meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 2,00 m aan beide zijden bij vrijstaande hoofdgebouwen (goten en overstekken niet meegerekend);
    • 6. de afstand van hoofdgebouwen, een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping wel meegerekend, tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 2,00 m aan één zijde bij twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen (goten en overstekken niet meegerekend);
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - landelijk wonen 3' gelden de volgende regels:
    • 1. de bouwhoogte bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat;
    • 2. hoofdgebouwen worden minimaal 5,00 m uit de voorste bouwperceelsgrens gerealiseerd;
    • 3. de afstand tussen hoofdgebouwen en een aan- en uitbouw, bijgebouw of overkapping niet meegerekend, bedraagt minimaal 15,00 m met uitzondering van de zijde waar de hoofdgebouwen met elkaar verbonden zijn.

3.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 3.1 genoemde bestemming;
  • b. voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 60 m2;
    • 2. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3,50 m;
    • 3. overkappingen worden achter de voorgevellijn gebouwd;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - landelijk wonen 2' gelden de volgende regels:
    • 1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd minimaal 2,00 achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;
    • 2. de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,50 m respectievelijk 7,00 m;
    • 3. de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, behorende bij vrijstaande hoofdgebouwen, tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt minimaal 2,00 m;
    • 4. de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, behorende bij twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen, tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt minimaal 2,00 m aan de zijde waar de hoofdgebouwen niet met elkaar verbonden zijn;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - landelijk wonen 3' gelden de volgende regels:
    • 1. aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen worden minimaal 5,00 m uit de voorste bouwperceelsgrens gerealiseerd;
    • 2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5,00 m;
    • 3. de diepte (gemeten ten opzichte van de aangrenzende gevel van het hoofdgebouw) van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen bedraagt tussen de voor- en achterzijde van het hoofdgebouw maximaal 3,60 m en tussen de zijzijden van het hoofdgebouw maximaal 2,50 m;
    • 4. aangebouwde bijgebouwen mogen aan de voorzijde, achterzijde en enkel aan één zijzijde van het hoofdgebouw worden gerealiseerd;
    • 5. vrijstaande bijgebouwen zijn niet toegestaan.

3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde worden uitsluitend opgericht ten dienste van de in lid 3.1 genoemde bestemming;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde mogen binnen het gehele bouwperceel worden gerealiseerd;
  • c. de bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2,00 m, met dien verstande dat een afscheiding die gebouwd wordt voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw tot 1,00 m achter de voorgevellijn, maximaal 1,00 m bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3,00 m.
3.3 Nadere eisen
3.3.1 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorgaande regels, bij het verlenen van een omgevingsvergunning tot bouwen artikel 2.1, lid 1, sub a Wabo, nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de plaatsing van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar;
  • b. de dakhelling van hellende dakvlakken van een gebouw;
  • c. de plaatsing en vormgeving van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

3.3.2 Voorwaarde
  • a. De in lid 3.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan of met het oog op de bereikbaarheid van een gebouw, een bouwwerk, geen gebouw zijnde en gronden in verband met calamiteiten.
  • b. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.3.1 wint het bevoegd gezag advies in bij een stedenbouwkundige en/of welstandscommissie omtrent de toelaatbaarheid van de afwijking.
3.4 Specifieke gebruiksregels

Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige bedrijfsactiviteiten in een woning, een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw is respectievelijk zijn bij wijze van medebestemming toegestaan, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de activiteiten worden uitsluitend uitgeoefend door de bewoner;
  • b. het vloeroppervlak ten behoeve van beroeps- en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is niet groter dan 25% van de brutovloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen met een maximum van 60 m2;
  • c. op de bij de betreffende woning behorende gronden vindt geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaats;
  • d. het beroepsmatig gebruik en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten gaan niet gepaard met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte detailhandel die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • e. de beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn inpasbaar in de woonomgeving, met dien verstande dat:
    • 1. op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, tenzij kan worden aangetoond dat het voorgenomen gebruik geen onevenredige toename van parkeerbehoefte veroorzaakt;
    • 2. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige verkeersdruk optreedt;
    • 3. geen verlichte of opvallende reclame uitingen aan de gevel zichtbaar mogen zijn;
    • 4. de woning dient te blijven voldoen aan het Bouwbesluit.

Artikel 4 Waarde - Archeologie 1

Bij toepassing van deze regels worden de regels gehanteerd conform de regels in artikel 17 van het bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland te Zuidland' met identificatienummer NL.IMRO.0568.BNSZLDKVN022011-0901.

Artikel 5 Waarde - Archeologie 3

Bij toepassing van deze regels worden de regels gehanteerd conform de regels in artikel 19 van het bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland te Zuidland' met identificatienummer NL.IMRO.0568.BNSZLDKVN022011-0901.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Voor de algemene regels wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van het vigerende bestemmingsplan 'Kreken van Nibbeland te Zuidland' met identificatienummer NL.IMRO.0568.BNSZLDKVN022011-0901.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 6 Overgangsrecht

6.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  • b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  • c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
6.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 7 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Partiële herziening bestemmingsplan Kreken van Nibbeland'.