Hoofdstuk 1 Inleidende Regels

 

Artikel 1 begrippen

plan:

het bestemmingsplan 'Capelleweg 2a/Gemeenlandsedijk Zuid 51a' te Abbenbroek van de gemeente Bernisse;

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0568.BNSBUICGZ012012-0901 met de bijbehorende regels en bijlagen;

aanbouw:

een aan een hoofdgebouw toegevoegde, afzonderlijke ruimte die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft (goot)hoogte, dakhelling en/of dakvorm) ondergeschikt is aan het hoofdgebouw

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

begane grondbouwlaag:

de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder;

beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlak:

het totale vloeroppervlak van de ruimte binnen een bouwwerk en/of op een terrein dat wordt gebruikt voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

beroepsmatig gebruik van een woning:

het gebruik van (een beperkt gedeelte van) een woning en/of daarbij behorende aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten door de hoofdbewoner op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en/of daarbij behorende aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend

 

 

bestaande situatie:

bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter-inzage-legging van het ontwerp van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;

het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen.

bevoegd gezag:
het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Wabo.
bijgebouw:

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat in functioneel en architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

bouwen:

plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk;

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

 
 
 
bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio’s en naar aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en prostitutie.

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

hoofdgebouw:

een gebouw, dat door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

kelder:

een geheel ondergronds gelegen ruimte, die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorende bovengronds bouwwerk.

kleinschalig bedrijfsmatig gebruik van een woning:

het gebruik van (een gedeelte van) een woning en/of daarbij behorende aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door de hoofdbewoner, in tegenstelling tot een beroepsmatig gebruik van een woning, gericht op consumentenverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk, waarvan de omvang zodanig is dat de woonfunctie behouden blijft en waarvoor geen vergunningplicht op grond van de Wabo geldt.

overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en voorzien van maximaal één wand.

uitbouw:

de vergroting van een bestaande ruimte in een hoofdgebouw, die qua afmetingen en/of in visueel opzicht (onder meer wat betreft (goot)hoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

 

voorgevellijn:

de gevellijn waarin de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde ervan.

voorgevelrooilijn:

de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd.

waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater.

wonen:

het gebruik van een complex van ruimten voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

woning:

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

 


Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.2 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.3 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.4 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer danwel keldervloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.5 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.6 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.7 peil:
a. Voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
b. Indien in of op het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil;
c. In andere gevallen én voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de gemiddelde van het
    aansluitende afgewerkte maaiveld.

 

 

 

 

 

2.8 ondergeschikte bouwdelen:

 

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte

bouwdelen als:

a.         plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en uitbouwen met een oppervlakte van 2m² of kleiner;

b.         overstekende daken tot ten hoogste 1m;

c.          luifels als geïntegreerd onderdeel van een uitbouw;

buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1m bedraagt ten opzichte van de bouwgrens of de maximale bouwhoogte


Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

 

Artikel 3 Agrarisch

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.       akkerbouw, opengrondse tuinbouw met uitzondering van fruitteelt, en grondgebonden veehouderij;

b.      wegen en paden;

c.       bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals: ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

 

een en ander met inachtneming van:

 

d.      de in dit gebied voorkomende cultuurhistorisch waardevolle elementen in de vorm van archeologisch waardevolle gebieden;

e.       de in dit gebied voorkomende landschappelijke waarden in de vorm van waardevolle openheid en het patroon van dijken, wegen en kreken.

 

3.2 Bouwregels

 

3.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

 

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

 

a Er mogen uitsluitend erf- en terreinafscheidingen worden gebouwd.

b De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m.

Artikel 4 Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.       wonen;

b.      tuinen en erven;

c.       bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals: ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

d.      beroepsmatig en kleinschalig bedrijfsmatig gebruik, met inachtneming van het bepaalde in lid 4.3.

 

 

 

 

 

4.2 Bouwregels

 

4.2.1 Hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) gelden de volgende regels:

a.       hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

b.      per bouwvlak mag uitsluitend één vrijstaande woning worden gebouwd;

c.       op gronden met de nadere aanduiding 'nr' is de nokrichting van noord-west naar zuid-oost;

d.      de maximale inhoud van woningen met aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt 700m3;

e.       de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ is aangegeven;

f.       de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt minimaal 3 meter;

g.      de goothoogte van een aan- en uitbouw en bijgebouw mag niet meer dan 3 m bedragen;

h.      de bouwhoogte van een aan- en uitbouw en bijgebouw mag niet meer dan 5 m bedragen;

i.        aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;

j.        voor het bouwen van overkappingen gelden ook de volgende regels:

1.      per bouwvlak mag niet meer dan één overkappingen worden gebouwd;

2.      de oppervlakte mag niet meer dan 30m2 bedragen;

3.      de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3m;

 

   4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

   Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden    

   de volgende regels:

a.       bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

b.      de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn niet meer mag bedragen dan 1m;

c.       de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3m.

 

    4.3 Specifieke gebruiksregels

 

    Beroepsmatig gebruik of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in een woning, een aan-   

    of uitbouw of aangebouwd bijgebouw, zijn respectievelijk bij wijze van medebestemming

    toegestaan met inachtneming van de volgende regels:

a.       de activiteiten worden uitsluitend uitgeoefend door de bewoner;

b.      het vloeroppervlak ten behoeve van beroeps- en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is niet groter dan 25% van de brutovloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen met een maximum van 60 m2;

c.       op de bij de betreffende woning behorende gronden vindt geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaats;

d.      het beroepsmatig gebruik en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten gaan niet gepaard met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte detailhandel die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

e.       beroeps- of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn inpasbaar in de woonomgeving, met dien verstande dat:

1. op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, tenzij kan

    worden aangetoond dat het voorgenomen gebruik geen onevenredige

    toename van parkeerbehoefte veroorzaakt;

2. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige verkeersdruk

    optreedt;

3. geen verlichte of opvallende reclame uitingen aan de gevel zichtbaar mogen

    zijn;

4. de woning dient te blijven voldoen aan het Bouwbesluit;

5. er geen sprake is van bedrijvigheid die vergunnings- of meldingsplichtig is

    op grond van de Wabo.

 

 

Artikel 5 Waarde Archeologie

 

5.1 Bestemmingsomschrijving

 

De voor ‘Waarde -Archeologie ’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar

voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen

zijnde archeologische waarden.

 

5.2 Bouwregels

 

a          In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een

            omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te      overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van    het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het   bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

b          Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een   omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen            en het slaan van damwanden) die dieper reiken dan 40 cm beneden maaiveld en die       tevens een oppervlakte groter dan 200 m² hebben.

c          Het bevoegd gezag kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan

            een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden:

            1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische

            monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

            2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;

            3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden

            door een archeologisch deskundige.

 

 

 

 

 

5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde,

of van werkzaamheden

 

5.3.1 Verbod

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking

van omgevingsvergunning de hierna onder b genoemde werken, geen bouwwerken

zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die

dieper reiken dan 40 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter

dan 200 m² beslaan.

 

5.3.2 Werken c.q. werkzaamheden

Het omgevingsvergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden:

a          grondbewerkingen (van welke aard dan ook);

b          het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;

c          het indrijven van voorwerpen in de bodem;

d          het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;

e          het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende

            constructies e.d.;

f          het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

 

5.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden

Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het

normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren

ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande

weg- en leidingcunetten.

 

5.3.4 Omgevingsvergunning

Omgevingsvergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan het bevoegd

gezag heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische

waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel

van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

 

5.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning kunnen de volgende regels worden verbonden:

a          de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische

            monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

b          de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;

c          de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door

            een archeologisch deskundige.


Hoofdstuk 3 Algemene regels

 

Artikel 6 Anti-dubbeltelbepaling

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene bouwregels

 

7.1 Bestaande afmetingen en afstanden

 

a          In die gevallen dat de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud van bouwwerken

            die in overeenstemming met het bepaalde in de Wet algemene bepalingen            omgevingsrecht tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het

            ontwerp van het plan meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze

            regels is toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud,      horizontale dan wel verticale diepte in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

b          In die gevallen dat de afstand tot enige grens van bouwwerken, die in      overeenstemming met het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht      tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het

            plan minder bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is       voorgeschreven toegestaan, geldt die afstand in afwijking daarvan als minimaal            toegestaan.

c.         In geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde sub a en b uitsluitend van      toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

 

7.2 Bestaand bebouwingspercentage

 

In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met

het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen,

meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven,

geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

 

7.3 Ondergronds bouwen

 

Ondergrondse gebouwen mogen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

o   Ondergrondse gebouwen mogen worden gebouwd op alle gronden waar ingevolge de bestemming gebouwen toelaatbaar zijn;

o   De ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse gebouwen mag niet meer dan 3 m onder peil bedragen;

o   De ondergrondse gebouwen worden meegerekend bij de bepaling van de te realiseren maximale inhoudsmaat, indien en voor zover ze niet onder het hoofdgebouw zijn gelegen.

 

 

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

 

8.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

a.         het doen of laten gebruiken van gronden, alsmede gebouwen, onderkomens en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van (de exploitatie van) een seksinrichting, een escortbedrijf en raam- en straatprostitutie;

b.         het inrichten en/of gebruiken van een aan- of uitbouw als zelfstandige woonruimte;

c.         het inrichten en/of gebruiken van een vrijstaand bijgebouw als zelfstandige woonruimte en/of voor bewoning;

d.        het doen of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor het opslaan van goederen voor bedrijfsdoeleinden, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;

e.         het doen of laten gebruiken van gronden als opslagplaats van hout en aannemersmaterialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;

f.          het doen of laten gebruiken van gronden als opslagplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;

g.         het doen of laten gebruiken van gebouwen voor zelfstandige kantoren;

h.         het doen of laten gebruiken van onbebouwde gronden voor het storten c.q. lozen en/of het opslaan van bagger, grondspecie, puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen;

i.           het doen of laten gebruiken van onbebouwde gronden voor het opslaan van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, containers, oude en nieuwe bouwmaterialen, voer- en vaartuigen, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen, machines of onderdelen hiervan, afval, puin, grind en brandstoffen;

j.           het doen of laten gebruiken van onbebouwde gronden voor het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens.

 

 

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

 

9.1 Algemene afwijkingen

 

Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van de regels in dit plan voor:

a.         overschrijding van de gegeven maten, afmetingen en bebouwingspercentages tot            maximaal 10% van de voorgeschreven maten, afmetingen en percentages;

b.         het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van wegen of de        aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit en/of      praktische omstandigheden daartoe aanleiding geeft;

c.         het in geringe mate overschrijden van het bouwvlak, indien een meetverschil daartoe      aanleiding geeft;

d.         openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van openbaar vervoer,          telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken,     toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd,          met dien verstande dat de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m² mag

            bedragen én de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m;

e.         vergroting van de maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

            1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde tot niet meer dan 40 m;

            2. ten behoeve van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot niet meer dan 40           m;

            3. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot niet meer dan 10          m.

f.         overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen voor       plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en             technische ruimten, met dien verstande dat:

            1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van           het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak;

2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 maal de maximaal toegestane     

    bouwhoogte van het betreffende gebouw.

 

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde realisering en/of plaatsing van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein, met dien verstande dat:

a.       verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal 3,00 meter toelaatbaar zijn;

b.      het bestemmingsvlak met niet meer dan 10% wordt vergroot;

c.       er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;

d.      er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden;

e.       er geen bezwaren bestaan vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en vormgeving;

f.       de brand-, verkeers- en openbare veiligheid niet in het gedrang komen;

g.      het woon- en leefklimaat niet onevenredig worden aangetast.


Artikel 11 Overgangsrecht

 

11.1 Overgangsrecht bouwwerken

1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

11.2 Overgangsrecht gebruik

1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

11.3 Afwijking

Voor zover toepassing van het overgangsrecht leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen en/of strikte toepassing leidt tot beperkingen in het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd, kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen bij een omgevingsvergunning afwijken.

 

Artikel 12 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

‘Regels van het bestemmingsplan Capelleweg 2a/Gemeenlandsedijk Zuid 51a'