Bestemmingsplan

´Van Duyvenvoordeweg 1 Heenvliet´

 

 

Regels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inhoudsopgave 

 

 

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Artikel 2 Wijze van meten

 

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Maatschappelijk

 

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 4 Anti-dubbeltelbepaling

Artikel 5 Algemene bouwregels

Artikel 6 Algemene gebruiksregels

Artikel 7 Algemene ontheffingsregels

Artikel 8 Algemene wijzigingsregels

Artikel 9 Algemene procedureregels

 

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht

Artikel 11 Strafbepaling 

Artikel 12 Slotregel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Planregels bestemmingsplan ´ Van Duyvenvoordeweg 1 Heenvliet´, gemeente Bernisse

 

HOOFDSTUK 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

 

In deze regels wordt verstaan onder:

 

1.1 Plan

Het bestemmingsplan “Van Duyvenvoordeweg 1 Heenvliet” van de gemeente Bernisse.

 

1.2 Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL\.IMRO\.0568\.BNSHNVVDW012009-0900 met de bijbehorende regels.

 

1.3 Aanbouw

Een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw, maar dat in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw.

 

1.4 Aanduiding:

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge dit plan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

 

1.5 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

 

1.6 Achtererf

De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw of achter de denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.

 

1.7 Achtergevel

De van de weg afgekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één van de weg afgekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.

 

1.8 Antenne-installatie

Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de wel of niet in de techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

 

1.9 Antennedrager

Een antennemast of andere constructie bedoeld voor de vestiging van een antenne.

 

1.10 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

1.11 Bebouwingspercentage

De in procenten uitgedrukte verhouding tussen de oppervlakte van de bebouwing en het grondoppervlak binnen een bouwvlak, bestemmingsvlak, of bouwperceel.

 

1.12 Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

 

1.13 Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming

 

1.14 Bijgebouw

Een al dan niet vrijstaand, afzonderlijk van het hoofdgebouw, in functioneel en bouwkundig opzicht te onderscheiden gebouw.

 

1.15 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

 

1.16 Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

 

1.17 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

 

1.18 Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

 

1.19 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

 

1.20 Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

 

1.21 Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van zaken aan in hoofdzaak personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

 

1.22 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

 

1.23 Gebruiken

Het gebruiken, doen gebruiken of laten gebruiken.

1.24 Hoofdgebouw

Een gebouw, dat op een bouwvlak door zijn aard, functie, constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

 

1.25 Kantoor:

een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat door zijn indeling en inrichting kennelijk

is bestemd voor het verlenen van diensten en/of het uitvoeren c.q. verrichten van handelingen,

die een administratief karakter hebben dan wel handelingen die een administratieve

voorbereiding of uitwerking behoeven, al dan niet in rechtstreekse aanraking met het publiek;

 

1.26 Kelder

Een bijzondere bouwlaag, waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag ten hoogste 0,50 meter boven het peil is gelegen.

 

1.27 Maatschappelijke dienstverlening:

voorzieningen op het gebied van:

- openbaar bestuur en overheidsdiensten;

- sociale, sociaal-culturele organisaties;

- levensbeschouwelijke organisaties;

- onderwijs en educatie;

- gezondheidszorg, veterinaire diensten en welzijnszorg;

 

1.28 Nutsvoorziening

Een voorziening ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit, en de telecommunicatie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten.

 

1.29 Peil

a. Voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang.

b. In de overige gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

 

1.30 Perceel

Gronden die bij elkaar horen, omdat zij aan elkaar grenzen en in het gebruik een eenheid vormen, doordat zij uitsluitend bij hetzelfde bedrijf, dezelfde woning of instelling duurzaam behoren.

 

1.31 Perceelsgrens

De grens tussen twee (bouw)percelen.

 

1.32 Planregels

De regels, deel uitmakende van het bestemmingsplan “Van Duyvenvoordeweg 1 Heenvliet” van de gemeente Bernisse.

 

 

 

 

 

1.33 Rooilijn

- De lijn evenwijdig aan de weg en in het verlengde van de dichtst bij de weg gelegen gevel

van een gebouw (niet zijnde een bijgebouw) die het dichtst bij de weg is gelegen, dan wel

(indien deze gevel niet evenwijdig aan de weg is gelegen de lijn evenwijdig aan de weg door het dichtst bij de weg gelegen hoekpunt van de gevel van een gebouw (niet zijnde een bijgebouw).

- Indien op een bouwvlak geen gebouw, zoals hiervoor bedoeld, aanwezig is, wordt de rooilijn op de wijze, zoals hiervoor aangegeven, bepaald door het dichtstbij gelegen gebouw (niet zijnde een bijgebouw) op een ander bouwvlak.

- Een rooilijn wordt niet aanwezig geacht, indien een bouwvlak geen volledig naar de weg

toegekeerde zijde heeft, ook al grenst dit bouwvlak op enig punt aan gronden met de bestemming Verkeer.

 

1.34 Scheidslijn bebouwingswaarden

Een op de plankaart aangegeven lijn, die de scheiding aangeeft tussen bouwvlakken waar verschillende maximale bouwhoogten en verschillende maximale aantal bouwlagen zijn toegestaan.

 

1.35 Seksinrichting

Een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarin tegen betaling handelingen en/of voorstellingen plaatsvinden van erotische en/of pornografische aard. Hieronder worden mede begrepen een seksbioscoop, -theater, -automatenhal en winkel en naar de aard daarmee te vergelijken inrichtingen.

 

1.36 Uitbouw

Een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, waarmee hij in functioneel opzicht verbonden is, en dat door de vorm als een afzonderlijke en duidelijk ondergeschikte aanvulling op dat hoofdgebouw onderscheiden kan worden en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

 

1.37 Verbeelding

De verbeelding van het bestemmingsplan “Van Duyvenvoordeweg 1 Heenvliet” van de gemeente Bernisse, bestaande uit de tekening NL.IMRO.0568.BNSHNVVDW012009.0900.

 

1.38 Voorgevel

De gevel van een woning die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling ervan als gevel kan worden aangemerkt.

 

1.39 Voorgevelrooilijn

Een lijn die evenwijdig aan de as van de weg, langs een wegzijde met een regelmatige ligging van de voorgevel van de bestaande bebouwing is gelegen, die zoveel mogelijk aansluit aan de voorgevels van de bestaande bebouwing en zoveel mogelijk overeenkomstig de richting van de weg loopt.

 

1.40 Zijdelingse perceelsgrens

De grens tussen twee percelen, die voor- en achterzijde van een perceel verbindt.


Artikel 2 Wijze van meten

 

2.1 Algemeen

 

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten.

 

2.1.1 De begrenzing van de onderscheidene bestemmingen

De begrenzing van de bestemmingen wordt, voor zover niet in maten op de kaart vastgelegd, gemeten door middel van meting op de plankaart vanaf het hart van de lijn met een nauwkeurigheidsgraad van 1 meter.

 

2.1.1 De bouwhoogte van een bouwwerk

De bouwhoogte van een bouwwerk wordt bepaald door het meten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

 

2.1.2 De goothoogte van een bouwwerk

De goothoogte van een bouwwerk wordt bepaald door het meten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

 

2.1.3 De inhoud van een gebouw

De inhoud van een bouwwerk wordt bepaald door het meten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

 

2.1.4 De brutovloeroppervlakte van een gebouw (bvo)

De brutovloeroppervlakte van een gebouw wordt bepaald door de bebouwde oppervlakte van de afzonderlijke bouwlagen bij elkaar op te tellen.

 

2.1.5 De oppervlakte van een bouwwerk

De oppervlakte van een bouwwerk wordt bepaald door het meten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als:

a.  plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en

     kroonlijsten en uitbouwen met een oppervlakte van 2 m˛ of kleiner;

b.  overstekende daken;

c.  luifels als geďntegreerd onderdeel van een uitbouw

buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt ten opzichte van de bouwgrens.

 

2.1.6 De bouwdiepte van een bouwwerk

De bouwdiepte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het laagste punt van het bouwwerk, met uitzondering van fundering of ondergeschikte onderdelen van het bouwwerk.

 

 

2.1.7 De dakhelling

De dakhelling wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

 

 


HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels

 

Artikel 3 – Maatschappelijk

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

 

De op de plankaart voor ‘Maatschappelijk´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.         maatschappelijke dienstverlening;

b.         ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van maatschappelijk-dierenartsenpraktijk” een dierenartsenpraktijk

 

met de daarbij behorende voorzieningen.

 

3.2 Bouwregels

 

3.2.1 Algemeen

a.         voor het bouwen gelden de hierna opgenomen bepalingen onder 3.2.2 tot en met

3.2.3;

b.         voor het bouwen gelden de aanduidingen op de plankaart.

 

3.2.2. Toegestane bouwwerken

Op en in de gronden als bedoeld in 3.1 mogen uitsluitend worden gebouwd:

a.         gebouwen

b.         andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

3.2.3  Gebouwen

Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in artikel 3.2.2 sub a, gelden de volgende bepalingen:

a.         hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de plankaart als zodanig aangegeven bouwvlak worden gebouwd;

b.         de voorgevel van een hoofdgebouw dient te worden gebouwd in dan wel maximaal 1 meter uit de naar de weg gekeerde bouwgrens;

c.         de goothoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste de op de plankaart aangegeven goothoogte;

c.         hoofdgebouwen dienen te zijn voorzien van een kapconstructie met een hellingshoek van minimaal 40 graden en maximaal 60 graden, gemeten vanaf de zijgevels of vanaf de voor- en achtergevel;

d.         gebouwen, anders dan onder c genoemd, mogen plat worden afgedekt.

e.         indien gebouwen plat worden afgedekt, is de maximale goothoogte gelijk aan de maximale bouwhoogte.

 

3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.         de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 1 meter;

b.         de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 2 meter;

c.         de hoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan maximaal 3 meter, met dien verstande dat er slechts 1 overkapping per bouwperceel gerealiseerd mag worden tot ten hoogste          30 m˛;

d.         de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan

3 meter.

 

 

3.3. Specifieke gebruiksregels

 

3.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik:

a.         als seksinrichting

b.         voor detailhandel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


HOOFDSTUK 3 Algemene regels

 

Artikel 4 Anti-dubbeltelbepaling

 

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

Artikel 5 Algemene bouwregels

 

5.1 Overschrijding bouwgrenzen

 

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van de analoge verbeelding en hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door:

a.         tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, serres, entreeportalen, veranda’s en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 meter bedraagt;

b.         andere ondergeschikte delen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 meter bedraagt.

 

 

5.2 Bestaande afmetingen en afstanden

 

In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand tot enig grens van bouwwerken, die rechtens in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

 

 

5.3 Erf- en perceelsafscheidingen

 

De bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen mag maximaal bedragen:

a.                  voor de voorgevel van gebouwen 1 m;

b.                  op overige plaatsen 2 m.

 

 

5.4 Rooilijn

 

De rooilijn mag niet met gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden overschreden, tenzij het betreft:

a.                  tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, funderingen, balkons, erkers en entreeportalen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt;

b.                  andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt;

c.                  perceelsafscheidingen.

5.5 Parkeervoorzieningen

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan het aantal en de situering van parkeervoorzieningen op het eigen terrein, mede in relatie tot die in het openbaar gebied.

 

5.6 Ondergronds bouwen

 

Ondergrondse gebouwen mogen worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

a.                  ondergrondse gebouwen mogen worden gebouwd op alle gronden waar ingevolge de bestemming gebouwen toelaatbaar zijn;

b.                  de bouwhoogte van ondergrondse gebouwen mag ten hoogste 3 m bedragen;

c.                  ondergrondse gebouwen worden meegerekend bij het bebouwingsoppervlak, indien en voor zover ze niet onder een bovengronds gebouw zijn gelegen.

 

 

Artikel 6 Algemene gebruiksregels

 

6.1 Verboden gebruik

 

Het is verboden de gronden of de bouwwerken binnen het plangebied te gebruiken of te doen laten gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de bestemming. Onder het verboden gebruik wordt, tenzij in dit bestemmingsplan anders bepaald, in ieder geval verstaan het gebruiken of te doen laten gebruiken:

a.                  voor het opslaan van goederen voor bedrijfsdoeleinden, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;

b.                  als opslagplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;

c.                  van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;

d.                  van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van een seksinrichting.

 

 

 

Artikel 7 Algemene ontheffingen

 

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met toepassing van artikel 10 (Algemene procedureregels), ontheffing te verlenen van het plan:

a.                  van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot maximaal 10% van die maten, afmetingen en percentages;

b.                  voor aanpassing in geringe mate van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;

c.                  voor overschrijding van de bouwgrenzen:

            1.         indien een meetverschil of de situatie ter plekke daartoe aanleiding geeft;

            2.         ten behoeve van stoepen, toegangen, portieken, hellingbanen, buitentrappen, terrassen, erkers, balkons, luifels, hijsinrichtingen, lift- en trappenhuizen alsmede naar de aard vergelijkbare delen van bouwwerken;

d.         voor overschrijding van de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits:

1.         de oppervlakte van de vergroting maximaal 25 m˛ bedraagt;

2.         deze bouwhoogte met maximaal 25% wordt overschreden;

e.                     gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en elektriciteitsvoorzieningen met een bouwhoogte van ten hoogste 5 meter, en een brutovloeroppervlak van ten hoogste 15 m˛;

f.          bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, straatmeubilair, vrijstaande muren, keermuren, trapconstructies, bebouwing ten behoeve van al dan niet ondergrondse afvalopslag, geluidwerende voorzieningen, steigers, duikers en andere waterstaatkundige werken;

g.                     voor het realiseren van voorzieningen ten behoeve van de verkeers- en waterinfrastructuur;

h.                     voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals vlaggenmasten, reclame-uitingen,  gedenktekens, beeldhouwwerken en andere kunstuitingen;

l.          voor overschrijding van de toegestane bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, tot maximaal 40 meter vanaf peil;

            met in achtneming van het volgende:

1.         een ontheffing wordt niet verleend als daardoor op enig aangrenzend terrein de realisering van het bestemmingsplan wordt belemmerd;

2.         een ontheffing wordt niet verleend als daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de  gebruiksmogelijkheden van aangrenzende erven.

 

 

Artikel 8 Algemene Wijzigingsregels

 

8.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten

behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot. Een en ander met inachtneming van de volgende voorwaarden:

a.         er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;

b.         er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden;

c.         er bestaan geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige inrichting en

vormgeving;

d.         de verkeersveiligheid mag niet in het gedrang komen;

e.         het woon- en leefklimaat mogen niet onevenredig worden aangetast;

f.          de brand-, verkeers- en openbare veiligheid komen niet in het gedrang.

 

Artikel 9  Algemene procedureregels

 

9.1 Wijziging

 

Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid ingevolge dit plan, is de uniforme openbare

voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

 

 

9.2 Ontheffing

 

Bij het verlenen van ontheffing overeenkomstig een in het plan opgenomen ontheffingsbevoegdheid nemen burgemeester en wethouders de volgende regels in acht:

a.         een voornemen van burgemeester en wethouders strekkende tot ontheffing van het plan

ligt vier weken in het gemeentehuis ter inzage;

b.         de terinzagelegging wordt te voren bekend gemaakt in één of meer dag-, week- of andere

nieuwsbladen, die in de gemeente verspreid worden en voorts op de gebruikelijke wijze;

c.         de bekendmaking houdt mededeling in van de mogelijkheid voor belanghebbenden om gedurende de onder a genoemde termijn hun zienswijzen kenbaar te maken ten aanzien van de voorgenomen ontheffing.

 

9.3 Uitwerking

 

Bij toepassing van een uitwerkingsbevoegdheid ingevolge dit plan, is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

 

9.4 Werking wettelijke regelingen

 

De wettelijke regelingen, waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HOOFDSTUK 4 Overgangs- en slotregels

 

Artikel 10 Overgangsrecht

 

10.1 Overgangsrecht bouwwerken

 

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

1.         Een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

a.         gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b.         na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

2.         Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

3.         Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 

10.2 Overgangsrecht gebruik

 

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

1.         Het gebruik van grond en bouwwerken, dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2.         Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerst lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3.         Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

4.         Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 

10.3 Hardheidsclausule

 

Indien toepassing van het overgangsrecht voor bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen ontheffing verlenen.

 

 

 

 

Artikel 11  Strafbepaling

 

Overtreding van het bepaalde in:

artikel 6.1 en artikel 10.2

is een strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 1a van de Wet op de economische delicten.

 

Artikel 12 Slotregel

 

Deze regels worden aangehaald als Regels van het bestemmingsplan “Van Duyvenvoordeweg 1 Heenvliet”.

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van de gemeenteraad van Bernisse,

van 23 november 2010.

 

 

Voorzitter                                           Griffier